Zoeken in Bruggen

DE SCHIPBRUG OVER DE IJSSEL TE DOESBURG, EEN GESCHILDERDE IMPRESSIE

drs. M.M. Bakker

juni 04 01

De latere schilder Willem Roelofs werd in 1822 geboren als zoon van een Amsterdamse steenbakker.  Toen Willem vier jaar oud was verhuisde het gezin naar Utrecht, waar hij al op zeer jeugdige leeftijd begon te tekenen. Zijn eerste geschilderde landschap dateert van 1837. Willem Roelofs wordt beschouwd als een voorloper van de Haagse School: schilders van het landschap die zich concentreerden op de sfeer en lichtval in de natuur. In de jaren dat hij in Brussel woonde (1847-1887) vormde Roelofs een schakel tussen de Franse School van Barbizon en de vooruitstrevende Nederlandse landschapsschilders in Den Haag. Zelf schilderde hij vooral Hollandse landschappen met waterpartijen en koeien. Roelofs had het schildersvak geleerd bij Van de Sande Bakhuyzen en op de Haagse Academie. Zijn vroege werk sloot nog sterk aan bij de heersende stroming in de schilderkunst, de Romantiek. Dramatische landschappen als ‘naderend onweer’ tonen de grootsheid van de natuur. Na het zien van de werken van de School van Barbizon breekt Willem Roelofs als één van de eerste kunstenaars in de negentiende eeuw met de romantische traditie. Niet langer schildert hij gedramatiseerde landschappen, maar meer en meer impressies van de waargenomen natuur. Roelofs: “Wij scheiden kleur en tekening af, omdat wij dat wel moeten. Maar de natuur doet dat niet. Zij geeft niet iets een vorm om het daarna te kleuren. Vorm en kleur zijn inherente eigenschappen van het voorwerp, dat ons te schilderen is gegeven. Verwaarlozen wij een van beiden, dan geven wij slechts de helft.”
In Brussel was Roelofs tevens als wetenschappelijk insectenkundige werkzaam (als entomoloog gespecialiseerd in snuitkevers). In 1847 was hij betrokken bij de oprichting van het Haagse kunstenaars genootschap Pulchri Studio, ten huize van Jan Hardenberg, samen met onder meer Johan Weissenbruch, Bart ten Hove en Johannes Bosboom. Tot zijn belangrijkste leerlingen worden gerekend: Hendrik Willem Mesdag, Paul Gabriël, J. Th Kruseman en C.N. Storm van ’s Gravesande. In 1897 stierf hij in het huis van zijn zwager te Berchem bij Antwerpen. juni 04 02
Het schilderij (‘De brug te Doesborgh’, 1889, olieverf, paneel 24,5 x 45,5 cm, Rijksmuseum Amsterdam) met de brug bij Doesburg uit 1889 geeft de werkelijkheid op een zeer speciale manier weer. Niet door de schipbrug, maar door de manier van schilderen zitten wij als beschouwers met dit schilderij opeens in de Nederlandse negentiende eeuw. Het vaak geuite verwijt aan Roelofs dat hij te veel duisternis zou toelaten in zijn schilderijen, zou ook hier gemaakt kunnen worden. Het werk is vluchtig en snel opgezet, de toetsen staan los of duidelijk naast elkaar. Met de neus op het paneel zijn zelfs de penseelharen zichtbaar maar van verder af zijn diezelfde toetsen en streken de voorgestelde dingen: het rijdek van de brug, de schuiten, de wolken. Tipjes verf worden scherende vogels. Wat verfklodders links zijn de schuimkoppen van het water dat tegen de jukpalen slaat. Een duidelijk impressionistisch werk: een schilderkunst die ons de indruk geeft van een op het moment betrapte werkelijkheid.
In 1643 kreeg Doesburg al een schipbrug over de IJssel. Na verwoesting door de Fransen in 1672 zou het tot 1721 duren eer het stadsbestuur een nieuwe schipbrug aanlegde. Deze zou met de nodige aanpassingen tot januari 1952 dienst doen. Het brugdek lag op schragen of bokken. Deze zijn op het schilderij van Roelofs ook zichtbaar. Storm Buysing in zijn Handleiding tot de kennis der Waterbouwkunde (…) uit 1844 (p. 290): “Voor rivieren van geringe breedte, zoo als bijvoorbeeld in ons land de IJssel, moeten de bruggen over de geheele lengte op dergelijke bokken gesteld worden, dewijl het groote verschil van 3,50 à 4 el in de hoogte der rivier, bij de geringen breedte van 90 à 100 el, het onmogelijk zoude maken, bij alle waterstanden, van den oever op en af de brug te komen. Bij zulke omstandigheden is het noodig, dat de brug bij het rijzen van het water, nader bij de schepen kan worden gebragt.” De brug rustte op acht vaartuigen. Er waren twee houten landhoofden. Aan de stadszijde rustte het landhoofd op zes vaste jukken, aan deze zijde was er tevens een ophaalbrug. Het uitdrijfvak bestond bij de brug te Doesburg uit slechts twee schepen. Toen Roelofs de brug schilderde reden er al enkele jaren tramwagens overheen. In 1881-1884 legde de Geldersche Stoomtramweg Maatschappij namelijk een tramweg aan van Dieren, via Doesburg naar Doetinchem.  
Een eerste inventarisatie van de werken van Roelofs levert nog drie andere brugschilderijen op: ‘Een poldervaart bij Gouda’, met een ophaalbrug, olie op doek; ‘De regenboog’, met een eenvoudige ophaalbrug over een vaartje nabij een boompartij, olie op doek, collectie Gemeentemuseum Den Haag; ‘Molens bij Leiden’, achter Diaconessenziekenhuis, afgebeeld onder meer een ‘kwakel’, houtskool, 82 cm x 60 cm.

juni 04 03

Literatuur:

H.F.W. Jeltes, Willem Roelofs. Bijzonderheden betreffende zijn leven en zijn werk, Amsterdam 1911. Saskia de Bodt, Halverwege Parijs. Willem Roelofs en de Nederlandse schilderskolonie in Brussel 1840-1890, Gent 1995. Marjan van Heteren e.a., Willem Roelofs, 1822-1897. De adem der natuur, Bussum 2006. W.A.L. Beeren, brochure Haags Gemeente Museum. Bruggen in Nederland 1800-1940, red. J. Oosterhoff, deel II, Utrecht 1998, pp. 352-355.

Download hier het artikel in pdf-formaat logo pdf

 

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn