Zoeken in Bruggen

EEN REIS NAAR HET ZUIDEN

door E. Hendrikse

juni04 01

Op zondag 21 juni 1891 gaat de dan negentienjarige Martinus Middelberg in Amsterdam aan boord van stoomschip de ‘Pollux’ om op reis te gaan naar het Middellandse Zeegebied. Via Athene en Thessaloniki arriveert hij na 22 dagen in Constantinopel, het huidige Istanbul. Hij bezoekt de stad, die hem bij aankomst al direct in vervoering brengt, met haar huizen, moskeeën, torens en minaretten, en de drukte op straat en schilderachtige types. Hij wandelt langs de hoogtepunten van de stad en loopt over de beroemde Galata-brug:
‘Langs moskeeën en door nauwe straten trekken we weer naar beneden; we komen langs schilderachtige Turken, en worden vervolgd door lastige kooplui, trappen bijna eenige honden dood, worden op de slecht geplaveide straten geradbraakt en ademen op, als we weer op de brug zijn, die naar de Europeesche stad voert.’ Na bijna twee maanden keert hij terug naar huis met twee foto’s van deze brug in zijn bagage.juni04 02

Martinus Middelberg

Martinus (Martien) Middelberg (1872-1925) hield van zijn reis naar het Zuiden een handgeschreven verslag bij dat door het Nationaal Archief in Den Haag bewaard wordt. Bij dit verslag hoort een - eveneens bewaard gebleven - album waarin hij foto’s van de belangrijkste bezienswaardigheden plakte die hij onderweg aanschafte. Het persoonlijke verslag* dat Middelberg ons heeft nagelaten biedt de mogelijkheid de reis te reconstrueren en door de ogen van een jonge man te kijken naar de indrukken die dit bezoek aan de Oriënt op hem heeft achtergelaten.
juni04 03Martinus stamde uit een familie die in de 19de en 20e eeuw veel vooraanstaande ingenieurs heeft voortgebracht. Hij was de oudste zoon van Gerrit A.A. Middelberg (1846-1916), een bekende ingenieur die gedurende zijn carrière werkzaam was bij diverse spoorwegmaatschappijen in binnen- en buitenland. Alvorens met zijn studie in Delft te beginnen ging Martinus ‘een jaar in de fabriekspractijk’*. Hij had zoals we dat tegenwoordig noemen een tussenjaar. Werkend en ervaring opdoend zal hij zich hebben voorbereid op zijn studie. De reis die hij in de zomer van 1891 maakte naar het Middellandse Zeegebied was de afsluiting van dat jaar.

De reis

De bootreis, die zo’n 50 dagen duurde begon op 21 juni 1891 in Amsterdam. Hoewel er vanaf 1888 ook een directe trein vanuit Parijs naar Constantinopel reed zal dit ongetwijfeld voor hem de goedkoopste manier van reizen geweest zijn. Uit zijn verslag weten we dat Martinus aan boord ook wat klussen in de machinekamer deed, waarschijnlijk in ruil voor zijn verblijf op het schip en een goedkope overtocht.
Stoomschip de ‘Pollux’ was in 1870 gebouwd als vrachtschip voor de Koninklijke Nederlandsche Stoomvaart Maatschappij. Naast vracht konden ook passagiers worden meegenomen. Op de hier beschreven reis had de Pollux vier tramwagons aan boord ‘die’ zoals Middelberg tijdens de reis in zijn verslag vermeldt ‘(tot nu toe) het dek versperden’. Te Patras werden die met een grote kraan van het schip gehesen. Behalve extra passagiers werd er onderweg ook lading ingenomen, zoals te Thessaloniki gebeurde waar 1100 schapen aan boord kwamen en in Constantinopel waar nieuwe passagiers opstapten.
De route voerde vanuit Amsterdam door het Kanaal, vervolgens langs de kust van Frankrijk, door de Golf van Biskaje en Kaap Finisterre verder langs de kust van Portugal. Daar ging het via Kaap Roca naar Gibraltar. Vandaar ‘steken (we) dwars over om Messina [op Sicilië] te bereiken.’ Op 3 juli noteert Middelberg in zijn verslag: ‘Aan bakboord ligt de rookendeStromboli ‘. Via de Straat van Messina wordt vervolgens afgevaren op het eiland Kefalonia en verder koers gezet naar Patras. ‘De loods komt aan boord en om 6 uur liggen we voor de stad die door hooge bergen is ingesloten.’ Patras was de eerste haven die ‘na een veertiendaagsche onafgebroken zeereis’ werd aangedaan: ‘een op zich zelf niet mooi stadje, maar dat van uit de zee schilderachtig tegen den berg is aangebouwd’.
Langs de westkust van de Peloponnesos gaat het verder en op 8 juli, na 18 dagen varen, wordt de haven van Piraeus bereikt. Na een kort bezoek aan Athene gaat de reis door naar Salonica (het huidige Thessaloniki). Via de Dardanellen bereiken ze Chernak (nu Çanakkale): ‘een boot brengt den stuurman naar den wal, om onze papieren te laten nazien (...) We zijn hier in het nauwste gedeelte van de straat die zich spoedig evenwel weer verwijdt en ons in de zee van Marmara brengt.’ Via Gallipoli wordt afgekoerst op Constantinopel, dat op 12 juli wordt bereikt.

juni04 04

Aankomst te Constantinopel

Op zondag 12 juli (dag 22 van de reis) kwamen ze aan te Constantinopel: ‘Om 5 uur kom ik aan dek. De zon beschijnt reeds weer de blauwe zee. Links vooruit is reeds een flauwe verhevenheid aan den horizon te zien, die Konstantinopel heet te wezen. We naderen hoe langer hoe meer; steeds meer scherp komt de heerlijke Oostersche stad in de morgenzon vooruit; we beginnen de huizen, de moskeeën, de torens en minaretten te onderscheiden; eindelijk om 7 uur ligt de Gouden Hoorn voor ons; een groote massa stoombooten liggen in de baai; kaïks [traditionele smalle houten roei- of zeilbootjes] zwermen in alle richtingen door het water, en links, rechts, voor, achter klimt de indrukwekkende huizenmassa van het oude Byzantium tegen den heuvel op.’
Het is duidelijk dat Middelberg overweldigd wordt door wat hij ziet. ‘We kwamen daar juist op het goede oogenblik aan, toen de breede huizenmassa door de ochtendzon werd verlicht (...).’
Het is zoals de Italiaanse schrijver Edmondo de Amicis, die enkele jaren eerder dezelfde stad bezocht, in zijn boek Constantinopel (1878) zegt: ‘Ten opzichte van Constantinopel bestaat er werkelijk geen twijfel; .. nog nooit is die stad iemand tegengevallen.’ Uit veel reisverslagen blijkt dat wanneer men Constantinopel over het water naderde de indruk op de reiziger enorm was. De overweldigende ervaring die Middelberg ten deel valt wordt door De Amicis nog pakkender beschreven, reden om die hier te citeren:
‘De aandoening, welke zich bij het binnenkomen te Constantinopel van mij meester maakte, deed mij bijna alles vergeten, wat ik in tien daagen stoomens van de straat van Messina af, tot aan den mond van den Bosporus toe gezien had. De blauwe Ionische zee, kalm en onbeweeglijk als een meer, de verwijderde bergen van Morea, roodgekleurd door de eerste zonnestralen, de Archipel door de ondergaande zon verguld, de bouwvallen van Athene, de golf van Salonika, Lemnos, Tenedos, de Dardanellen en eene menigte personen en voorvallen, die mij gedurende de reis vermaakten: dat alles werd zoodanig uit mijn geheugen gewischt, nadat ik den Gouden Hoorn gezien had, dat ik, als ik het u wilde gaan beschrijven, meer mijne verbeelding dan mijn geheugen zou moeten raadplegen.’
Middelberg gaat aan land en bezoekt als eerste de ‘Sofiakerk’ [Hagia Sophia]. Na een korte beschrijving van de architectuur en het interieur merkt hij op dat er tot zijn verbazing nergens stoelen staan. ‘Wanneer er dienst is, knielt alles op den grond’. Van de kerk gaan ze door de stad ‘naar de bazar, een lange aaneenschakeling van gewelven, in welker vele groote nissen de winkels zijn ingericht. Langs moskeeën en door nauwe straten trekken we weer naar beneden; we komen langs schilderachtige Turken, en worden vervolgd door lastige kooplui, trappen bijna eenige honden dood, worden op de slecht geplaveide straten geradbraakt en ademen op, als we weer op de brug [hij bedoelt de Galata-brug] zijn, die naar de Europeesche stad voert.’

Nadat er aan boord gegeten is wordt de stad nog eens bezocht en s ‘avonds nog een keer. ‘(we) drinken uitstekend Duitsch bier; om elf uur zijn we weer aan boord terug’.
De volgende morgen (maandag 13 juli) gaat Middelberg nog eens de stad in: ‘In den morgen trek ik nog eens naar de stad en koop daar twee lichtdrukken; om 3 uur, juist 3 uren later dan we gemeend hadden lichten we het anker en verlaten den Gouden Hoorn; langzaam raakt Konstantinopel op den achtergrond uit het gezicht.’

De brugjuni04 05

De Galata-brug, waarvan Middelberg ter plaatse twee foto’s koopt (zie afbeeldingen), wordt door hem in zijn dagboek enigszins zijdelings genoemd. Maar uit het feit dat hij met twee foto’s ervan thuis komt kunnen we afleiden dat hij er kennelijk toch veel belang aan hechtte of dat deze veel indruk op hem had gemaakt. De brug over de Gouden Hoorn was (en is nog steeds) een belangrijk verbindings- en knooppunt voor de stad. Het zorgde voor een verbinding tussen de oude stad met het stadsdeel Galata dat in de wijk Pera lag (nu Beyoglu), door Middelberg als ‘het moderne Konstantinopel’ aangeduid. Pera was de Europese wijk waar van oudsher de buitenlanders woonden, de ambassades en gezantschappen gevestigd waren en ook als eerste moderne voorzieningen als straatverlichting aanwezig waren.
De brug die Middelberg betrad en die we op de door hem gekochte foto’s zien was de derde brug die hier was aangelegd. Deze - inmiddels ijzeren - brug was in 1875 geconstrueerd ter vervanging van de tweede (houten) brug uit 1863. Een constructie van 24 pontons droeg het brugdek. Het is dus aannemelijk dat het een zogeheten ponton- of schipbrug was; ook De Amicis (zie citaat hieronder) spreekt over een ‘schipbrug’. Enkele jaren na de ingebruikname werd onder de brug een rij winkels, restaurants en koffiehuizen gebouwd.
Om de sfeer te kunnen vatten die Middelberg op de brug moet hebben ervaren kunnen we het beste lezen wat De Amicis hierover schrijft. In zijn boek over Constantinopel wijdt hij er maar liefst een heel hoofdstuk aan*:
‘Om de bevolking van Constantinopel te zien moet men op de schipbrug gaan, die ongeveer een mijl lang is en zich van het verste punt van Galata tot aan den tegenoverliggenden oever van den Gouden Hoorn uitstrekt, tegenover de groote Moskee van de Sultane Validé. (...)
Als men daar staat ziet men in één uur geheel Constantinopel voorbij trekken.
Het zijn twee onuitputtelijke menschen-stroomen, die zonder ophouden elkaar tegenkomen en samensmelten (...). De menigte trekt in groote massa’s voorbij, waarvan ieder op zichzelf de bontste kleuren oplevert en elke menschengroep vertegenwoordigt een volkerengroep.
Stel u de zonderlingste verzameling van typen, kleederdrachten en standen der maatschappij voor; gij zult u toch nimmer een juist denkbeeld kunnen vormen van het fabelachtige mengelmoes dat zich daar op eene oppervlakte van twintig schreden in den tijd van tien minuten aan ons oog voordoet. (...)
Het is een afwisselend mozaiek van landaard en godsdiensten dat voortdurend gemaakt en verbroken wordt met eene snelheid welke het oog ter nauwernood volgen kan. (...)
Als men niet goed oppast wordt men bij elken stap ‘t onderste boven geloopen.(...)

Het is een geraas, een getier, een gegil van vreemde woorden, van keelklanken, aspiraties, onverstaanbare uitroepen, waar tusschen de enkele fransche en italiaansche woorden, die af en toe het oor bereiken, den indruk maken van lichtpunten in eene volslagen duisternis.’

Afbeeldingen

De Galata-brug over de Gouden Hoorn met het zicht op de Yeni Cami (Nieuwe Moskee) leverde een markant en kennelijk bij toeristen gewild beeld van de stad. Het kopen van foto’s die bij wijze van souvenir werden meegenomen, zoals Middelberg deed, was in deze periode zeer gebruikelijk. De eerste vijftig jaar na de uitvinding van de fotografie was door de beschikbare apparatuur en technieken het maken van foto’s niet alleen omslachtig maar ook nog vrij kostbaar. Op reis kon men onderweg foto’s aanschaffen die gemaakt waren door rondreizende professionele fotografen. De landschappen, steden en sites die zij hadden vastgelegd lieten zij in oplage afdrukken en werden ter plekke te koop aangeboden. Wat eerder door beeldend kunstenaars was weergegeven kon door hen veel nauwkeuriger worden vastgelegd dan welke kunstenaar daarvoor ook. Los van Italië, van oudsher een geliefd reisdoel, trokken de fotografen naar het Midden-Oosten (Egypte en Palestina) en was er daarnaast ruime belangstelling voor de exotische Oriënt. Foto’s van Turkije, Marokko en andere streken in Noord-Afrika werden vanaf de zeventiger jaren onder andere gemaakt door de gebroeders Zangaki, Bonfils en Pascal Sébah die in 1857 al een studio opende in Constantinopel. Na zijn dood werd hij opgevolgd door zijn zoon Jean die in 1888 een samenwerking startte met de Fransman Policarpe Joaillier. De studio werd daarna bekend als Sebah&Joaillier en fungeerde als de officiële hoffotograaf van de Sultan.
Ondanks de opkomst van de fotografie bleef Turkije ook aantrekkingskracht uitoefenen op beeldend kunstenaars. De belangrijkste Nederlandse kunstenaar die in dit verband genoemd moet worden was Marius Bauer (1867-1932), die in 1888, drie jaar voor Middelberg, in Constantinopel aankwam. Vanaf dat moment was hij gegrepen door Turkije en was de Oriënt een van zijn hoofdonderwerpen: Oosterse steden, exotische types, moskeeën, optochten en karavanen zien we veelvuldig in zijn werk terugkomen.
Bij zijn eerste bezoek in 1888 maakte hij vele wandelingen door de stad en legde veel van wat hij om zich heen zag vast in schetsen en tekeningen. Op een van die tekeningen (later door hem gebruikt als dinerkaartje) is de Galata-brug te zien, vrijwel exact vanuit hetzelfde standpunt als vanwaar de foto van Sebah&Joaillier genomen is. Ook hier zien we de enorme levendigheid op de brug die we ook in literaire beschrijvingen als die van De Amicis tegenkomen.

Slot

Het dagboek van Martinus Middelberg eindigt op de vijftigste dag van de reis - 9 augustus 1891 - bij Kaap Finisterre. Er zal nog een dag of vier gemoeid zijn geweest met het laatste traject naar Amsterdam en het schip zal dus naar alle waarschijnlijkheid op 13 augustus weer in Amsterdam zijn aangekomen. Martinus kon in ieder geval terugkijken op een prachtige reis waarvan hij ten volle had genoten: ‘De heerlijke dagen in de Middellandsche Zee doorgebracht liggen over een paar uren al weer achter me. Ik heb een heeleboel gezien en beleefd, en al heb ik geen doodsgevaren en avonturen getrotseerd, ik zal een massa te vertellen hebben als ik weer thuis ben.’

Elwin Hendrikse is kunsthistoricus en werkzaam als collectiespecialist Fotografie bij het Nationaal Archief in Den Haag

Noten

• Het reisverslag en het fotoalbum maken deel uit van het archief van de familie Middelberg, toegangsnr. 2.21.232 (archief fam. Middelberg 1829-1960) en zijn resp. de inv.nrs. 104 en 105.
De brieven die Martinus tijdens de reis naar huis schreef zitten onder inv.nr. 44 in hetzelfde archief.
• Het reisverslag is niet gesigneerd, het fotoalbum is wel voorzien van de naam M. Middelberg. Dankzij twee brieven die tijdens de reis door Martien aan huis werden gestuurd (gedateerd 15 juli 1891 [geschreven vanuit Ismidt] en 4 augustus 1891 [geschreven ‘aan boord van de Pollux’] kan het verslag met zekerheid aan hem worden toegeschreven.
• Citaat uit een artikel dat in De Ingenieur (1926, nr 7) verscheen naar aanleiding van het overlijden van Martinus; overdruk van het artikel in het familiearchief in het Nationaal Archief aanwezig.

Gebruikte literatuur

• Edmondo de Amicis, Constantinopel, Nederlandse vertaling Haarlem 1878
• Catalogus Marius Bauer 1867-1932, reisimpressies uit India en de Oriënt, Hannema-de Stuers Fundatie 1991
• Paul Hinrichs (samenstelling), Passage Istanbul (het Oog in ‘t Zeil Stedenreeks), Amsterdam 2001
• Geert Mak, De brug, boekenweekgeschenk 2007, uitgave stichting CPNB

400 jaar Turkije-Nederland

In het kader van de herdenking van het 400-jarig bestaan van diplomatieke relaties tussen Turkije en Nederland worden dit jaar tal van tentoonstellingen georganiseerd. Zie http://www.nltr400.nl/
Op de tentoonstelling De Prins en de Pasja in De Verdieping van Nederland (gebouw Nationaal Archief/Koninklijke Bibliotheek) is de door Middelberg meegebrachte foto van de Galata-brug te zien. Deze tentoonstelling duurt tot 30 juni a.s.
Op de tentoonstelling Marius Bauer in Turkije in de Groote of Sint Janskerk te Schiedam is de tekening van de Galata-brug te zien. Deze tentoonstelling loopt tot 6 juli a.s.

Download hier het artikel in pdf-formaat logo pdf

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn