Slim zoeken

Vaste brug

Als er geen rekening gehouden hoeft te worden met scheepvaartverkeer of als de brug over een (spoor)weg of ravijn ligt kan een vaste brug worden toegepast. Ook als een verkeersweg zó druk is dat een beweegbare brug een hinderlijke opstopping (file) veroorzaakt, wordt veelal een hoge vaste brug ontworpen. Bij het vaststellen van de eisen waaraan een brug moet voldoen gelden de volgende aandachtspunten.

1.Waar kunnen en mogen de ondersteuningen (pijlers) van de brug liggen?

2.Met welke waterstanden van rivier of kanaal moet worden gerekend?

3.Bij welke waterstanden is nog scheepvaartverkeer mogelijk en welke hoogte hebben de schepen boven de waterspiegel?

4.Met welk verkeer over de brug moet worden gerekend?

De steunpunten (pijlers).

Bij rivieren moet rekening gehouden worden met twee waterstanden:

waterstand A is meestal in de zomer en de herfst aanwezig, het water bevindt zich dan tussen de "zomerdijken". De zomerdijk voorkomt dat de uiterwaarden 'szomers onderlopen. Bij voorkeur worden geen pijlers toegepast tussen de zomerdijken omdat deze hinder kunnen geven aan de scheepvaart.

waterstand B is de Hoogst Bevaarbare Waterstand (HBW) en komt veelal in het voorjaar voor doordat sneeuw in de bergen dooit en er veel regenwater uit de hemel komt. Scheepvaart wordt niet meer toegelaten als de waterstand hoger is dan deze HBW.

Dwarsdoorsnede-rivier
schema van de dwarsdoorsnede van een rivier

De landhoofden moeten landinwaarts van de winterdijken zijn gelegen. Indien de landhoofden aan de rivierzijde van de winterdijken zouden liggen ontstaat bij hoge waterafvoer een ongewenste opstuwing van het water.

Schets-vakwerkbrug-en-dwrsp
schema van een grote rivierbrug

Enige pijlers in de uiterwaard worden toegelaten, mits deze niet te "dik" zijn, deze eis houdt ook verband met de ongewenste opstuwing van het water. Bij de HBW moeten de schepen nog onder de brug door kunnen varen. Voor de hoogte van de schepen wordt in Nederland veelal de zogenaamde "Rijnvaarthoogte" aangehouden, dit is 9,10 meter. De onderkant van de brug mag dus niet lager liggen dan 9,1 m + HBW. De breedte van de brug wordt bepaald door het type verkeer en de intensiteit daarvan. Voor een spoorbrug wordt de breedte bepaald door het aantal sporen dat op de brug moet worden aangebracht. Voor een verkeersbrug wordt de breedte bepaald door het aantal rijstroken en de nodige ruimte voor voetgangers en fietsers. Vooral op hoofdroutes met veel verkeer kunnen de bruggen zeer breed worden. Voorbeelden zijn de 70 m brede Galecopperbrug over het Amsterdam-Rijnkanaal in Utrecht in de A12; de Van Brienenoordbruggen in Rotterdam met 63 m breedte en de 43 m brede Moerdijkbruggen over het Hollands Diep.

De oeververbinding tussen twee punten die van elkaar gescheiden zijn door een rivier bestaat dus uit een aantal delen:

1.De brug over de rivier (het zomerbed tussen de zomerdijken) de hoofdbrug of hoofdoverspanning genoemd.

2.De brugdelen over de uiterwaarden, aanbruggen of toeleidende bruggen genoemd.

3.De opritten, die het hoogteverschil tussen het naastliggende land en de bovenkant van het brugdek moeten overwinnen.

Ook bij vaste bruggen kunnen een aantal typen worden onderscheiden; balkbruggen, liggerbruggen, plaatbruggen, trogbruggen, vakwerkbruggen, boogbruggen, boogbruggen met trekband, verstijfde staafboogbruggen, hangbruggen en tuibruggen. Een aantal typen worden in het volgende kort beschreven.

Brugtypen

schets-brug-en-spoorbrug
De brug bestaat uit een aantal balken b.v. stalen gewalste liggers en een houten dek.
Een eenvoudige spoorbrug, de houten dwarsliggers met de spoorstaven rusten rechtstreeks op de hoofdliggers.

schets-brug-voor-gewoon-ver
Een brug voor gewoon verkeer bestaande uit :

2 hoofdliggers

dwarsdragers

langsdragers

betonnen dek

dwrsdoorsnede-brug
Vaak worden de fiets– en voetpaden aan de buitenzijden van de hoofdliggers geplaatst. Het voet-fietspad wordt daarbij gedragen door consoles.

Voor de hoofdbrug of hoofdoverspanning zijn vele vormen mogelijk.

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn